Drie Kippen

Alle mooie verhalen, alle sprookjes ze beginnen met “Er was eens, er waren eens…” Zo ook dit verhaal, dit sprookje, of is het een combinatie van beiden?
Er waren eens drie kippen. Och drie kippen wat is daar nu speciaal aan?

Kippen, ze worden het vee van de kleine man, de kleine boer genoemd en je vindt ze overal, in de gehele wereld, van in Afrika tot in Amerika, overal. Kip eet iedereen, mag iedereen eten. Wat krijg je bv. het meest op een vliegtuig? Kip.

Wat wordt er bijna altijd geserveerd op de eetfestijnen voor goede doelen? Kip.

Drie kippen: een bruine, een witte, een grijze. Ja soorten en rassen in alle mogelijke vormen en kleuren. Was de eigenares, ja want het is een dame die de kippen, kocht, verzorgt, liefheeft, had de dame angst om voor racist te worden versleten indien ze bv. alleen maar witte of alleen maar zwarte of bruine zou onder haar hoede hebben genomen?

Neen, de reden was eenvoudiger. Ze was grootmoeder en had twee kleinzoontjes. Niks beter dan uw eigen kippen dacht grootmoe, eigen kippen en eigen vers gekakelde eitjes. En kinderen die leren zorg te dragen voor de dieren, hen te eten en te drinken geven, hun hok onderhouden.

Dus kocht ze drie kippen: één kip voor elk van hen en één voor haarzelf. De kinderen mochten ze zelf kiezen in de grote kippenkwekerij van het nabijgelegen dorp. De oudste kleinzoon koos een bruine, de andere een grijs-gespikkelde en ja grootmoe nam er eentje volledig in het wit. Zelf ooit een boerendochter geweest en opgegroeid op de grote boerderij van haar ouders tussen paarden, koeien, varkens was ze vertrouwd met natuur en dier. Het aangename gevoel van levende wezens om haar heen, de verbondenheid met het wel en wee van de dieren, dat wou ze doorgeven aan haar kleinzonen, zeker nu het platteland en de boerderijen van vijftig-zestig jaar geleden bijna allemaal verdwenen waren. De stad dringt overal binnen. De niet te stoppen bevolkingsaangroei eist haar tol van bebouwing, steeds meer huizen, appartementsblokken, het inpalmen van land, bos en natuur. De boer hij ploegt voort, schakelt over naar bio-landbouw, levert rechtstreeks aan de consument, organiseert boerderijbezoeken, boerderijklassen, maar moet méér en méér vechten om te overleven.

Lief waren ze de kippen. Gelukkig ook, voor zover je dat hen vragen kunt. Maar zien doe je dat wel. Hoe ze liggen in de zon, echt zonnebaden, de pluimen uitgestrekt, hoe ze zoeken naar pieren in het gras, hoe ze in de ganse tuin de weg weten en ‘s morgens aan de deur staan bedelen naar eten. Of hoe ze spontaan gaan zitten om gestreeld te worden, opgepakt, neergezet. Vervoerd in de speelgoedkruiwagen en soms, het zijn jongens een kwak water over zich kregen en dan hun pluimen losschudden, net zoals eenden doen.

Een beetje dom waren ze ook, die kippen, of toch niet. Het leven is nu eenmaal ingewikkeld, vooral de voortplanting. Eieren leggen, maar als het lente is gaat het kriebelen en gaan ze beginnen broeden, blijven ze op hun nest zitten, halsstarrig, hopende op kuikentjes. Om meelij te hebben want wij weten dat je nog steeds, hoe geëmancipeerd je ook moge zijn en hoe ver de wetenschap ook gevorderd moge zijn er nog iets meer moet zijn dan een ei alleen. En daar op die mini-boerderij van grootmoe noch van dichtbij noch van ver ooit maar iets van een haan te bespeuren was… En zo ging de zomer voorbij, rustig bedaard. Tijdens de week met grootmoe alleen, in het weekend met de hun speelkameraadjes, de twee jongens. Het hoogtepunt van het leven op, laat ons zeggen de boerenbuiten was wel samen om graan bij de overbuur, nog een echte boer. Een boer die ook nog drie grote honden lopen had én ook enkele kleine puppies: schattig. Spel en avontuur alom.

Maar op een keer gebeurde er totaal onverwachts iets heel ergs. Zo gaat dat in dramatische spannende verhalen, sprookjes. Normalerwijze is de tuin steeds keurig afgesloten, maar het oude versleten tuinpoortje diende te worden vervangen en zo kwam op een dag, eindelijk de stielman aan om dit karweitje snel te klaren. Oude poort eraf en ja, even weg nog wat gerief gaan halen en ondertussen vrije toegang tot de tuin, toegang voor jan en alleman.

En wie had dat gezien? Of was het dat vreselijke noodlot dat zo besliste? Raad eens. Ja, de honden van de buur. Normalerwijze zijn zij altijd streng opgesloten achter een hoog stevig gietijzeren hek. Vandaar bewaken zij niet alleen het huis en de tuin van hun baas, mijn buurman, maar houden zij ook de ganse straat in het oog, maar ook grootmoe ’s huis en tuin aan de overzijde. Goede wakers. Maar zie die bewuste onheilsdag, om een of andere reden, juist die dag kon een van de drie ontsnappen. Dieren misschien slimmer dan wij denken. De slimste, de sluwste, de meest alerte? Had deze zijn kans gezien? Gemerkt dat er een plots een grote opening was, want vanachter zijn open hek kon hij nu rechtstreeks open en bloot, zonder de minste schaamte gewoon grootmoe s’ ganse tuin bestuderen, binnenkijken. En daar dan plots drie kippen vrank en vrij zien rondlopen? Een beetje de kat bij de melk, de hond bij de kip… een beetje in bekoring, in verleiding gebracht? En gedacht: “wie niet waagt blijft…”

De eigenares-grootmoeder, zich van geen kwaad bewust stond in haar keuken, kijkend door het raam, doodgewoon en rustig wat tomaten te snijden, tomaten voor het zomerslaatje dat straks bij dit mooie zomerweer fris en lekker zou smaken. Blij onbekommerd genoot zij van haar drie kippen, die zoals altijd wat rond scharrelden, wat pikkend in gras of gewoon liggend in de zon.

Plots als een donderslag bij heldere hemel, in een fractie van een seconde alle stilte en rust verdwenen. Een reuze bruine hond als een wervelwind doorheen de tuin, recht naar de drie kippen. Deze in grote paniek uit elkaar, lopend, krijsend, de vleugels uitgestrekt, rennend in alle richtingen en de hond erachter. Amper gelovend beseffend wat ze zag stond grootmoe aan de grond genageld, verlamd, verstand op nul. Slechts laat ons zeggen twee-drie seconden lang. Helaas. Helaas.

Twee kippen doken direct ergens weg onder de haag, achter het tuinhuisje, maar één kip, de bruine, deze met een beetje een manke poot, die haalde het niet. De hond had haar beet, beet en beet, zwierde ze op de grond, poot erop en beet verder. Vreselijk het gekrijs. Hoe doodsangst wordt uitgeschreeuwd had grootmoe nooit geleerd, gehoord, maar het ging door merg en been. Zoiets voel je, instinctief, overduidelijk.

De hond hij keek op. Keek rond. Fier, triomfantelijk. Hij de grote overwinnaar, de held, de winnaar, hij had zijn doel bereikt. De keizer op zijn troon, de almachtige, de prooi aan zijn voeten. Onschuldig ook, want zie waarom zou hij niet doden? Hij was wel een getemde, beschaafde, geciviliseerde hond, maar in wezen toch een hond, een jager. En wat zegt de natuur sinds eeuwen een eeuwen? Eten en gegeten worden. Honden jagen. Vangen…die kippen. Elk dier zijn wijze om voedsel te bemachtigen, om te leven, te overleven. Puur natuur. Dus wat deed die hond? Dat wat sinds zijn ontstaan door natuur en evolutie diep in zijn genen was in geprogrammeerd.

Grootmoe stormde buiten, onbesuisd, ondoordacht want je weet maar nooit. De hond, hij schrok zich op zijn beurt een hoedje, sprong op, rende sneller dan een bliksemschicht de tuin uit, recht de straat over en verdween uit het zicht van de hem nahollende grootmoe ergens tussen de vele groene struiken in de tuin van zijn baas. De gekwetste kip, bloedend, de kop half losgerukt van het lijf, de vleugels eveneens bloedend, pluimen los en verward, haar bek open gesperd, happend naar adem… zij leefde nog. Grootmoe heeft dan maar het grootste scherpste mes uit haar keukenlade gehaald en snel en zorgvuldig de doodsstrijd beëindigd. Geen verder nutteloos lijden, hoe erg ook voor de kip zelf. Aan de zijkant van de tuin, dicht tegen de haag werd een put gegraven. De kip zorgvuldig toegedekt met de omgewoelde aarde en wat gras bovenop als zoete troost. Ja, als boerendochter wist grootmoe ook dat deze kip perfect eetbaar was, gezond en correct tussen haakjes “geslacht”. Maar neen, dit kon niet. Het was geen oorlog, dus geen hongersnood, voldoende voedsel voorhanden, geld om ander kippenvlees te kopen, deze kip, de kip van haar oudste kleinzoon was haar te dierbaar. Dat de kip in vrede moge rusten. Zeker deze weer tussen haakjes deze “mindervalide” kip.

Ja, de natuur vreselijk, zonder mededogen, of is het gewoon correct? De wet van de sterkste. Het was de kip die mankte, die altijd wat achterop liep. Wat aan haar poten scheelde wist grootmoe niet echt, maar ja ze mankte wat. Dus de hond, had hij het gemerkt? Of was het inderdaad zo dat ze niet minder snel, letterlijk, minder snel uit de voeten kon? En dus niet tijdig vluchten kon? De zwakste. Zij verliezen altijd het eerst. Kon geen toeval zijn.

Oef, nu op zoek naar de twee anderen. Niet te vinden.
Maar enkel uren later waren ze terug. Eigenaardig. De witte liep weer gewoon rond maar de grijs-gespikkelde, zij stond daar maar te staan. In de hoek van de tuin was een lichte houten constructie, een verhoogje dat dienst deed als dekplaat voor de kleine kinderzandbak eronder. Daar stond zij te staren. Echt in shock. Alleen het hoofd bewoog ietsje, de ogen voortdurend links, rechts, speurend naar gevaar. Urenlang stond ze daar om dan tegen de valavond aan toch te vertrekken naar het slaaphok.

Het poortje was ondertussen hersteld, tuin weer volledig afgesloten. Grootmoe kon gerust zijn. Maar het grootste probleem nu: hoe het vertellen aan de kleinkinderen? Heel voorzichtig de waarheid. Hen uitleggen de wetten der natuur, het zich verdedigen, het sluiten van grenzen, het beschermen van je eigendom en van wat je dierbaar is, het sterk zijn, het lot der zwaksten, hulp bieden aan wie lijdt. troost schenken, het likken van de wonden, het genezen en opnieuw herbeginnen. Samen hebben zij een nieuwe kip gekocht en ook deze zal goed worden verzorgd, zal zich integreren. De buurman bood zijn verontschuldigingen aan en gaf een fles rode wijn als troost en ja de hond hij blafte verder, zoals een échte waakhond past.

Het verhaal na het verhaal: de kennismaking tussen  de oude grijs gespikkelde kip (deze van de jongste kleinzoon) en de nieuwe jonge bruine kip (deze van de oudste kleinzoon). Welkom!
Samen verder.